Van 1947 tot 1971 was professor Biemond hoogleraar Neurologie in het WG, een ziekenhuis met paviljoenen. Paviljoen 2 was voor de Neurologie, paviljoen 3 voor de Psychiatrie. In die tijd werden nog zenuwartsen opgeleid in de zenuw- (neurologie) en zielsziekten (psychiatrie). Als assistent in opleiding tot psychiater moest ik drieëneenhalf jaar psychiatrie en anderhalf jaar neurologie doen.

Toen ik zo’n anderhalf jaar in opleiding was bij professor Kuiper (de psychiater) moest ik voor mijn stage neurologie naar paviljoen 2. Omdat mij al ras bleek dat neurologie mij meer aansprak dan psychiatrie vroeg ik tijdens een dienst tijdens één der kerstdagen aan professor Biemond, die in de kliniek was om zijn patiënten op de afdeling te bezoeken, of ik bij hem in opleiding mocht komen. Tot mijn blijdschap zei hij direct ja, en hij voegde daaraan toe: “Dan zal ik u persoonlijk opleiden.” Dat hield in dat ik de volgende assistent zou worden op zijn afdeling. Dat ging in op 1 februari 1970.

Professor Biemond was altijd stipt op tijd. Eenmaal zijn assistent, moest ik onder andere mee naar de colleges die hij gaf. Paviljoen 2 had geen eigen collegezaal, paviljoen 1 (interne geneeskunde) had dat wel. Een uur voor het begin van het college trok professor zich terug met de ziektegeschiedenis van de patiënt die hij zou bespreken. Maar voor ik zijn kamer uit mocht werd het tijdsein gebeld (002) en zetten wij onze horloges gelijk. Vlak voor aanvang van het college stonden de patiënt, de professor en ik klaar achter de collegezaal. Dan moest ik op de klok die in de collegezaal hing kijken hoe laat het was op die klok. Dan volgde iets als: “Professor u hebt nog 30 seconden.” Vanaf dat moment keek de hoogleraar op zijn horloge en na die halve minuut kreeg ik te horen: “Nu.” Dan opende ik de deur, de professor liep de collegezaal in en de patiënt en ik volgden.

Dit is slechts een voorbeeld van het belang dat professor Biemond hechtte aan op tijd zijn. Op 1 februari 1970 moest ik om half negen op de afdeling zijn om de visite die strikt van 9 tot 10 uur duurde voor te bereiden. Mijn reistijd was een half uur maar voor alle zekerheid vertrok ik die ochtend om half acht van huis, nog niet wetend dat het die nacht had geijzeld. Van huis tot vlak bij het WG waren de wegen spekglad en om kwart over negen stoof ik de afdeling op. De hoogleraar was al begonnen met zijn visite en keek mij ontstemd aan toen ik in de tweede van de vijf te bezoeken kamers binnenkwam. Op mijn: “Het spijt mij, ik zal u straks alles uitleggen” reageerde hij met een knikje. Na de visite reageerde hij niet op mijn uitleg. Maar de volgende ochtend kwam professor Biemond mij opgetogen tegemoet en riep: ”U had gelijk gisteren, ik heb het in de krant gelezen, het was spekglad.” De verhouding was hersteld en is verder altijd goed gebleven. Jaren later, nadat hij mij had gevraagd mij bij de voornaam te mogen noemen, zei hij: “Weet je nog Jan, die eerste dag, je was wel drie kwartier te laat.” Sindsdien arriveer ik altijd en overal te vroeg.

J. Overweg