Met belangstelling heb ik het artikel in Het Parool over herinneringen aan het Wilhelmina Gasthuis gelezen. Ik denk nog wel eens aan die tijd dat ik in dit ziekenhuis lag in 1951.
Ik ben geboren op 5-09-1945 en zou mijn Eerste Heilige Communie (RK) doen in de Chassékerk, ergens in 1951.

De dag voor het grote feest was het “strontje” op mijn ooglid opengegaan met alle gevolgen van dien. Mijn mooie jurk hing klaar, maar i.p.v. naar de kerk werd ik in snel naar het ziekenhuis gebracht. Het werd een aparte ervaring op zo’n jonge leeftijd (net 6 jaar).

Ik werd op een brancard de lift in gereden. Ik wist niet wat een lift was en zette een keel op omdat ik dacht dat ik daar moest slapen. Daar werd om gelachen.
Maar er was geen plaats op de meisjeszaal, dus werd ik naar de jongenszaal gebracht. Nadat ik daar achtergelaten werd begon ik te huilen. Het was avond en er brandde maar een klein lichtje in het midden van de zaal, van de nachtzuster. Toen hoorde ik iemand zeggen: “hé, jongens ik geloof dat we een meid op de zaal hebben!” Zullen we hele harde scheten laten?” En dat deden ze dus. Ondanks mijn verdriet(je) moest ik daar toch wel een beetje om lachen. Ik heb een aantal weken op die afdeling gelegen en werd door hun vaak in de maling genomen, soms leuk, soms niet leuk.

Ook kwam er regelmatig een specialist naar mijn oog kijken. Zo weet ik nog dat ik voor het eerst een donker gekleurde mens aanschouwde, ook een van de specialisten. Ik vond dat zo’n knappe man en was bijna verliefd op hem, ik hoopte dat hij vaker kwam.

Na het verblijf in het ziekenhuis moest ik nog vaak op de polikliniek komen voor controle. Ik weet nog goed hoe groot die wachtkamer was en hoe lang we (mijn vader en ik) moesten wachten voordat ons nummer aan de beurt was.

De ingang, die grote poort, met toegang tot een grote tuin zal ik nooit vergeten. Een aantal jaren later, in april 1960, was ik er weer. Mijn broertje had een dodelijk ongeluk gehad en lag er opgebaard. Dat bracht een grote verandering in ons gezin.

Ans van Opstal